Snel: opmerking over stabiele beleggingsvorm heeft alleen betrekking op box 3

Snel: opmerking over stabiele beleggingsvorm heeft alleen betrekking op box 3

by

De opmerking van de inspecteur dat hoofdfondsen en onroerende zaken een stabiele beleggingsvorm zijn met weinig risico’s is alleen gemaakt in het kader van de beoordeling van de box 3-heffing en niet in algemene zin. Dat antwoord staatssecretaris Menno Snel van Financien op Kamervragen van Helma Lodders (VVD) en Pieter Omtzigt (CDA).

De twee Kamerleden  noemden die stellingname eerder merkwaardig en in het FD spraken ook beleggings- en fiscale experts en adjunct-directeur Errol Keyner van de Vereniging van Effectenbezitter (VEB)  er hun verbazing over uit. De bewering was door de krant uit een verweerschrift gehaald dat namens de staatssecretaris naar de Hoge Raad is gestuurd in een proefproces tegen de box 3-heffing.

Hoge Raad

Dat was slechts een voetnoot, schrijft Snel nu in antwoord op de Kamervragen. ‘Op 12 december jl. is de zitting bij de Hoge Raad geweest in één van de zes zaken over de box 3-heffing die zijn geselecteerd als zogenoemde proefprocedures in het kader van de regeling voor massaal bezwaar. Tijdens deze zitting is er uitgebreid op de zaak ingegaan. Uit de door de Hoge Raad tot op heden gewezen arresten over de box 3-heffing volgt dat het voor het aannemen van een inbreuk op artikel 1 EP EVRM niet voldoende is dat het rendement van bepaalde bezittingen structureel beneden 4% van het daarin geïnvesteerde bedrag blijft, ook niet indien de bezittingen van de belastingplichtige in box 3 vooral uit dergelijke bezittingen bestaan. Op grond van de rechtspraak van de Hoge Raad dient er voor de beoordeling van de haalbaarheid van het rendement van 4% dus niet alleen te worden gekeken naar bepaalde beleggingen (met bijvoorbeeld een bepaalde risicograad) maar naar alle bezittingen die in box 3 vallen. De risicograad van een belegging speelt geen rol voor de vraag of de belegging als box 3-bezitting kwalificeert. Daarvan uitgaande is het voor de discussie of de box 3-heffing inbreuk maakt op artikel 1 EP EVRM niet bepalend of hoofdfondsen en onroerende zaken een stabiele beleggingsvorm vormen met weinig risico’s. Zoals ook uit het pleidooi volgt, is de opmerking van de Inspecteur waarnaar in het verweerschrift wordt verwezen ten overvloede gegeven.’

Het is nu aan de Advocaat-Generaal om in een conclusie haar mening te geven over de kwestie die aan de Hoge Raad is voorgelegd. Tijdens de zitting is aangekondigd dat de A-G waarschijnlijk op 21 december 2018 haar conclusie zal nemen. Nadat partijen in de gelegenheid zijn gesteld om op de conclusie te reageren, zal de Hoge Raad zijn oordeel geven in een arrest.

Invulling afspraak regeerakkoord

Snel houdt zich in zijn beantwoording nog enigszins op de vlakte over de invulling die het kabinet wil geven aan de afspraak in het regeerakkoord om box 3 meer te baseren op reële rendementen. ‘In het regeerakkoord is opgenomen dat het kabinet een stelsel van vermogensrendementsheffing op basis van werkelijk rendement zal uitwerken. Het kabinet vindt het daarbij van belang dat in de vermogensrendementsheffing aan een aantal uitgangspunten maximaal recht wordt gedaan. Het gaat daarbij om de aansluiting bij het gevoel van rechtvaardigheid van de belastingbetaler, dat de belastingbetaler niet wordt opgezadeld met hoge administratieve lasten, dat het stelsel voldoende robuust is tegen belastingontwijking en dat het goed uitvoerbaar is. Zoals is gebleken uit de voortgangsrapportage ‘Heffing box 3 op basis van werkelijk rendement’ en het ‘Keuzedocument box 3’ heeft een stelsel van vermogensrendementsheffing op basis van werkelijk rendement verregaande consequenties voor onder andere de administratieve lasten van burgers, risico’s op belastingontwijking en de uitvoerbaarheid. Het kabinet weegt deze consequenties daarom zorgvuldig af.’

‘Al betere aansluiting op werkelijk rendement’

‘Tot slot wil ik benadrukken dat dit kabinet, in navolging van het vorige kabinet, reeds wijzigingen heeft doorgevoerd binnen de vermogensrendementsheffing waardoor deze blijvend beter aansluit op het werkelijke rendement, terwijl tegelijkertijd de voordelen van de forfaitaire systematiek zijn behouden’, schrijft Snel verder. ‘Zo heeft dit kabinet naar aanleiding van het regeerakkoord per 2018 het forfaitaire rendement op spaargeld sneller laten aansluiten op het werkelijke spaarrendement en het heffingvrije vermogen verhoogd van € 25.000 naar € 30.000, waardoor 360.000 belastingplichtigen geen box 3-heffing meer verschuldigd zijn.’

Bron: Accountancyvanmorgen.nl